KEEPER CRUIJFF

Door Wout Visser
'Keepers zijn altijd een beetje gek', meldt Johan Cruijff ons. Tja, wat moet je met zo'n uitspraak? Laten we zeggen, dat keepers een bijzondere positie innemen. Voor hen gelden spelregels, die voor veldspelers niet gelden. Daarom draagt een keeper altijd afwijkende kleuren.  Een keeper neemt vaak split-second beslissingen. Vaker dan zijn ploeggenoten. Zijn beslissingen bepalen in belangrijke mate het verloop van de wedstrijd. En, in de commerciële sport, dus ook de financiële gevolgen daarvan. De verantwoordelijkheid drukt zwaar voor een keeper. Soms te zwaar, en dat wordt dan afgereageerd. En zo komen we aardig in de richting van Cruijff's statement, denk ik. Johan Cruijff zelf is trouwens ook een heel behoorlijke keeper. Dat is niet zo verbazend, want ook spitsspelers moeten split-second beslissingen kunnen nemen. Toch heeft Cruijff nooit in het doel gestaan. Logisch natuurlijk, want als aanvaller is hij voor ieder elftal veel waardevoller. Maar Cruijff zou Cruijff niet zijn, als hij het niet probeert. Ajax, eind jaren zestig. De competitie is bijna gelopen, de Amsterdammers zijn kampioen, en er moet nog één wedstrijd gespeeld worden. Als ik me goed herinner, is dat tegen Go Ahead (toen nog zonder Eagles). Een stukje Amsterdamse gein: de Ajacieden krijgen hun trainer Rinus Michels zover, dat hij een fantasie-opstelling maakt. Zo staat tweede keeper Heinz Stuy linksbuiten. Cruijff wil graag keepen, maar dat vindt Michels niet goed. Hij vertelt niet waarom. De wedstrijd wordt geen succes. Linksbuiten Stuy blesseert zichzelf fors, door onwennigheid in zijn nieuwe positie. Of is hij door een tegenstander gepakt? Ik kan me levendig voorstellen, dat de tegenpartij zich door Ajax' clowneske vertoning beledigd en vernederd voelt.
Johan Cruijff heeft altijd een uitgesproken voorkeur voor 'meevoetballende' keepers. Zijn generatiegenoot Jan van Beveren weet daar alles van. De Oranje-carrière van deze beste Nederlandse lijnkeeper ooit wordt door Cruijff's toedoen geknakt. Maar, het moet gezegd worden: mede dankzij Johan Cruijff gaan keepers meevoetballen. Iets wat tegenwoordig heel normaal is. De trend wordt in 1974 wereldwijd gezet door Jan Jongbloed, keeper van Oranje. Zijn meevoetballen is een hoeksteen van het vernieuwende Totaalvoetbal, waarmee het fabelachtige Oranje in dat jaar de wereld verovert.
Als Cruijff in de jaren tachtig trainer van Ajax is, pusht hij Stanley Menzo als meevoetballende keeper. Menzo haalt er Oranje mee, maar zijn internationale carrière eindigt later roemloos door te weinig concentratie. Een blunder in Ajax' Europacup-wedstrijd tegen het Franse Auxerre kost hem zijn plaats: trainer Louis van Gaal kiest voortaan voor Edwin van der Sar. Iets soortgelijks overkomt Menzo bij Oranje, in een interland tegen Polen. We zien dit patroon opnieuw, als Cruijff begin jaren negentig Barcelona traint. Zijn keeper daar is een zekere Busquets. Alle kenners zijn het erover eens, dat deze doelman voor een club als Barcelona onvoldoende niveau heeft. Toch handhaaft trainer Cruijff hem. Ik heb nooit begrepen waarom Cruijff een minder gelukkige hand met keepers heeft. Het gaat er bij mij niet in, dat hij een keeper technisch verkeerd inschat. Wil hij misschien de veldspelers beter laten presteren? Door toepassing van de filosofie, dat aanvallers en middenvelders minder gemakzuchtig zijn als ze weten, dat balverlies sneller een tegendoelpunt oplevert? Wie het weet, mag zijn vinger opsteken. 
Het grootste keepersdrama uit de geschiedenis van het Nederlandse voetbal speelt zich af in 1970. In dat jaar moet Feyenoord voor de finale van de Europacup voor Landskampioenen aantreden tegen Celtic Glasgow. Het is de tweede keer dat een Nederlandse club deze finale speelt. Een jaar eerder was het Ajax, dat kansloos met 4-1 van AC Milaan verloor. Nu zijn de verwachtingen opnieuw hooggespannen, en heel Nederland leeft met de Rotterdammers mee. Feyenoord's legendarische trainer Ernst Happel heeft een probleem: hij durft zijn vaste keeper Eddy Treytel niet op te stellen. Te pril, te onervaren voor het grote werk, is zijn oordeel. Happel doet een beroep op veteraan Eddy Pieters Graafland, die zijn carrière afbouwt als tweede keeper. Eddy PG moet even slikken, maar zijn besluit kenmerkt de grote sportman in hem: hij doet het. 'Gewoon omdat ik zo'n unieke kans nooit meer zal krijgen', aldus de 36-jarige Pieters Graafland. Happel's beslissing krijgt in Nederland een hoeveelheid publiciteit alsof om het een kabinetscrisis gaat. Achteraf blijkt het gelijk van de grote meester: als Feyenoord voor de Wereldbeker in Argentinië 2-2 speelt tegen Estudiantes de la Plata,blundert Treytel bij beide Argentijnse doelpunten. In de terugwedstrijd in Rotterdam herstelt hij zich goed, en vervolgt zijn carrière als een betrouwbare keeper van internationaal niveau. Ruim tien jaar later komt uit, hoe hard het gelag voor Eddy Treytel is geweest. Treytel is dan keeper van het 'grote' AZ, de club van de gebroeders Molenaar en trainer Georg Kessler. AZ is afgereisd naar het beroemde San Siro-stadion, voor een Europacup-wedstrijd tegen Inter Milaan. Treytel vertelt Italiaanse journalisten, dat hij hier in 1970 met Feyenoord de Europacup voor Landskampioenen heeft gewonnen. Als de Italianen deze informatie bij hun Nederlandse collega's checken, komt de klucht in de openbaarheid.
De tragiek van keepers is altijd, dat ze volop publiciteit krijgen wanneer ze hun werk slecht doen. Doen ze het goed, dan wordt dat door de pers veel minder accuraat verslagen. De uitzondering die deze regel bevestigt, is de Poolse keeper Jan Tomaszewski. In 1973 dwingt hij voor zijn land de kwalificatie af voor het WK '74 in West-Duitsland. Dat gebeurt in het Wembley Stadion, ten koste van Engeland. Heel televisiekijkend Europa ziet met open mond, hoe Tomaszewski door onvoorstelbaar keeperswerk de furieus aanvallende Engelsen op 1-1 houdt. Nog nooit werd een grote, internationale voetbalwedstrijd zò eenzijdig door een keepers-perfomance beslist: volgens mij uniek in de geschiedenis van de voetbalsport. Polen wordt op het WK '74 derde, en Tomaszewski onderscheidt zich in dit toernooi opnieuw door twee penalties te stoppen. Waarvan één in Polen's halve finale-wedstrijd tegen West-Duitsland.
Het stoppen van penalties: herinnert u zich Hans van Breukelen nog? EK-finale 1988, in München, tegen de Sovjet-Unie? Van Breukelen stopt een penalty van Belanov. Achteraf biecht de Nederlandse keeper eerlijk op, dat hij dat mede te danken heeft aan trainer Jan Reker. Die heeft een administratie van alle penalty-schieters uit het wereldvoetbal, en weet daardoor precies welke speler in welke hoek schiet. Van Breukelen en Oranje doen er in 1988 hun voordeel mee.

 

overgenomen van http://www.dipo-online.com/verhalen.html